|
De voorbeeldige strijd van de werklozenbeweging
in Argentinië
Latijns Amerika is de afgelopen vijfentwintig
jaar getuige geweest van drie golven van strijd van elkaar overlappende en met
elkaar samenhangende sociale bewegingen. De eerste golf, ruwweg van de late
jaren zeventig tot midden jaren tachtig, bestond voor een groot deel uit wat
wel genoemd werd “de nieuwe sociale bewegingen”. Het ging om bewegingen die
zich bezig hielden met mensenrechten, ecologie, feminisme, om etnische
bewegingen, maar ook om NGO’s. De leiding van deze bewegingen bestond vooral
uit geschoolde lagere middenklasse en hun politiek en strategie was gericht op
het bestrijden van de militaire en burgerlijke autoritaire regimes uit die
tijd.
De tweede golf ontwikkelde zich vanaf midden
jaren tachtig tot nu in een machtige politieke kracht. De massaorganisaties en
de leiding van de tweede golf bestonden grotendeels uit boeren en
landarbeiders. Deze organisaties gingen over tot directe actie voor (de
verdediging van) de economische belangen van hun aanhang. De belangrijkste van
deze bewegingen zijn de Zapatistas uit Mexico (EZLN), de landloze
boerenbeweging uit Brazilië (MST), de Cocaleros en de boeren uit Bolivia, de
Nationale Boeren Federatie uit Paraguay, de FARC (Revolutionaire Gewapende
Macht van Colombia) en de Indiaanse boerenbeweging CONAIE in Ecuador. De
samenstelling, de tactieken en de eisen van deze groepen verschillen, maar wat
hun bindt is hun verzet tegen het neoliberalisme en imperialisme, dat wil
zeggen tegen het neoliberale economische regime en de toenemende concentratie
van rijkdom in de handen van lokale en buitenlandse elites. In het bijzonder
strijden zij voor een herverdeling van land en voor nationale autonomie van de
Indiaanse gemeenschappen en ze vechten tegen de interventies van de Verenigde
Staten in de vorm van programma’s om de coca uit te roeien, het koloniseren van
gebieden door militaire bases, het binnendringen in de nationale politie- of
militaire apparaten en de militarisering van sociale conflicten, zoals het
Colombia Plan en het Andes Initiatief. De derde en jongste golf van sociale bewegingen
is geconcentreerd in de stedelijke gebieden. Het gaat ondermeer om de
dynamische in de wijken gewortelde massabewegingen van werkloze arbeiders in
Argentinië, de werklozen en armen in de Dominicaanse Republiek en de bewoners
uit de krottenwijken die zich hebben geschaard achter het populistische vaandel
van de Venezolaanse president Hugo Chavez. Naast deze stedelijke bewegingen
zijn er in Colombia, Mexico, Brazilië en Paraguay nieuwe bewegingen ontstaan op
het kruispunt van meerdere sectoren, die landarbeiders en kleine en middelgrote
boeren verenigen en die massastrijd voeren. Het karakter, de manier van werken en de stijl
van de politieke acties van de tweede en derde golven vormen een uitdaging aan
het adres van veel van de stereotiepen en aannames van de conventionele
liberale sociale wetenschap en van de post-marxistische orthodoxen. Zo
verklaarden bijvoorbeeld de schrijvers over de “nieuwe sociale bewegingen” dat
er een eind was gekomen aan de klassepolitiek. En dat het nu de tijd was voor
culturele en “op de burger gebaseerde” bewegingen die zich bezig hielden met
democratie, gender gelijkheid en identiteitspolitiek. Theoretici als Eric
Hobsbawn gebruikte ‘demografische’ argumenten om de centrale plaats van
boerenbewegingen in de huidige politieke strijd te ontkennen. En anderen
beweerden dat de massa van de armen in de steden, die werkten in
gefragmenteerde en marginale baantjes of die afgesneden waren van de
produktiemiddelen, niet in staat waren om een uitdaging te vormen voor de
gevestigde politieke macht. De explosie van boeren- en stedelijke
klassebewegingen die daarop volgde in heel Latijns-Amerika, in een strijd om
land en politieke macht, deed deze orthodoxieën in duigen vallen. Het idee dat
het economische en politieke liberalisme een eind zou maken aan massale
ideologische strijd verdampte bij het opkomen van de Zapatistas, de FARC en
CONAIE. Deze bewegingen hebben volksvergaderingen georganiseerd om tientallen
jaren van beledigende, corrupte en reactionaire heerschappij aan de kaak te
stellen en in de loop van de tijd hebben ze een nieuwe substantiële vorm van directe
democratie ontwikkeld. Het centraal stellen van directe actie raakte het hart
van de kapitalistische uitbuiting en slaagde er vaak in om de productie en
circulatie van waren te verlammen, die essentieel zijn voor de reproductie van
het neoliberale regime. En de stelling van Hobsbawn is weerlegd door het
schitterende vertoon van politieke macht
bij de Indiaanse bezetting van het parlement van Ecuador in 2000, de
zeer grote invloed van het FARC in bijna de helft van alle gemeenten in
Colombia en het machtsvertoon van de MST in 23 van de 24 staten van Brazilië. Een bijzonder interessante en belangrijke sociale beweging van dit moment is het onderwerp van dit essay. Het gaat om de stedelijke werkloze arbeiders in Argentinië. Deze beweging, die duidelijk de aannames over de geatomiseerde onmachtige stedelijke armen onderuit haalt, is het waard om te onderzoeken in hoeverre haar vernieuwende kenmerken en haar explosieve mogelijkheden een voorbeeld voor de rest van Latijns-Amerika kunnen zijn De werklozen in Argentinië komen in opstand Een van de belangrijkste redenen waarom
orthodoxe marxisten hebben beweerd dat de industriële arbeidersklasse van
centraal belang is bij iedere sociale transformatie is haar strategische plaats
in het productieproces. Het relatieve inkrimpen van deze klasse en de enorme
groei van de informele of ‘marginale’ stedelijke massa’s met tijdelijke
baantjes of zonder werk, werden daarom gezien als een ontwikkeling die een
radicale sociale verandering vertraagt of zelfs onmogelijk maakt. Marxisten
betoogden dat de gefragmenteerde banenstructuur van de stedelijke armen hen
atomiseerde en dat hun betrekkelijke isolement ten opzichte van de
belangrijkste economische sectoren hun capaciteit verminderde om het
accumulatieproces te ondermijnen. Ze beweerden ook dat deze stedelijke massa
gunstig was voor het kapitalisme omdat die de lonen laag hield en ervoor zorgde
dat de arbeiders die nog werk hadden hun eisen omlaag schroefden. Ironisch
genoeg hebben sommige mainstream sociale wetenschappers en NGO’s ons ervan
proberen te overtuigen dat deze veranderingen in de werkgelegenheidsstructuur
goed waren, omdat die geleid hebben tot een toegenomen onafhankelijkheid van de
stedelijke massa’s. Want zij werden zo aangemoedigd om meer activiteiten op
kleine schaal, een subsistentie-economie en een ruileconomie op te zetten. In Argentinië hebben het ontbreken van vaste
banen, de dalende levensstandaard, de groeiende sociale onrust, de toename van
gewelddadige uitbarstingen en de enorme groei van clandestiene economische
activiteiten in de stedelijke wijken het idyllische beeld dat geschilderd werd
door de mainstream ideologen van de “zelf-hulp” belachelijk gemaakt. Maar de
gesofisticeerde en succesvolle organisatie van wat werd gezien als niet te organiseren
groepen heeft ook de marxistische orthodoxie ter discussie gesteld. In augustus
2001 heeft een landelijke mobilisatie van goed georganiseerde groepen werklozen
van meer dan honderdduizend mensen meer dan driehonderd verkeerswegen
geblokkeerd in Argentinië. Daarmee hebben ze de economie lam gelegd, ook de
voorheen onkwetsbare financiële sector. In de voorafgaande weken en maanden had
de politie vijf piqueteros (mensen bij een picket-line) gedood en er meer dan
drieduizend gearresteerd in gewelddadige confrontaties in het hele land.
Tegelijkertijd waren de georganiseerde werklozen in staat om duizenden
tijdelijke banen met een minimumloon, voedselpakketten en andere concessies van
de staat af te dwingen en daarbij hun onafhankelijke organisatie te behouden.
In september 2001 waren de werklozen in staat om in heel Buenos Aires massaal
de verkeerswegen te blokkeren en om een succesvolle algemene staking te houden
in samenwerking met sectoren van de vakbeweging. Daarbij werden
regeringsgebouwen en de toegangen tot alle belangrijke particuliere bedrijven
geblokkeerd. Het was opmerkelijk dat deze acties de steun en vaak ook de
actieve medewerking kregen van een breed spectrum van de bevolking en sociale
klassen, inclusief lokale kooplieden en winkeliers, ambtenaren van de gemeente
en provincie, gepensioneerden, de gezondheidszorg, onderwijzend personeel en
mensenrechtengroepen, vooral van de Madres de Plaza de Mayo. Deze spectaculaire recente successen zijn gebaseerd op meerdere jaren geduldige en vaak frustrerende organisatie. De werklozen stuurden petities naar de stedelijke-, staats- en federale overheden. Ze hielden vredelievende demonstraties. Maar toen deze taktieken werden genegeerd, begonnen de werklozen meer directe acties te voeren, waarbij ze regeringsgebouwen van de staat en de gemeente bezetten en soms in brand staken. Het blokkeren van wegen en de massale picket lines begonnen in twee steden in het binnenland Cutrol Co en Plaza Huincal in juni 1996 en opnieuw in april 1997. Deze demonstraties brachten duizenden mensen op de been in een protest tegen het verdwijnen van banen en het sluiten van bedrijven. Aan het eind van de jaren negentig werden er op grote schaal wegblokkades georganiseerd in de arbeiderswijken van Buenos Aires, uit protest tegen de hoge electriciteitsprijzen van de geprivatiseerde electriciteitsmaatschappijen en tegen het afsnijden van de electra in de huizen van de werklozen die hun rekeningen niet konden betalen. In 2000 werden er massademonstraties georganiseerd in de steden Neuquen en General Mosconi, wat vroeger welvarende centra van de olie-industrie waren. Toen privatisering leidde tot de afbraak van arbeidsplaatsen en tot grote werkloosheid, maakte de regering haar beloftes niet waar om voor alternatieve werkgelegenheid te zorgen, vooral door de bezuinigingen die waren doorgevoerd om te voldoen aan de fiscale eisen van het IMF Het verklaren van de beweging De eerste stap in het begrijpen van de beweging
van werklozen in Argentinië is het plaatsen van deze beweging in de context van
het neoliberale project dat de levens van arbeiders en boeren in heel Latijns
Amerika verwoest heeft. Toen de Argentijnse regering de lijn van de vrije
marktideologen ging uitvoeren, kwam ze met een politiek die voorzienbare
gevolgen zou hebben. Openbare ondernemingen werden verkocht en de nieuwe
eigenaren ontsloegen duizenden arbeiders. Ondernemingen die niet genoeg winst
opleverden, ondermeer in de mijnbouw en in de energiesector, werden gesloten en
daarbij ontstonden echte spooksteden waar alle sociaal-economische sectoren
achteruit gingen. De lonen en arbeidsomstandigheden van mensen uit de openbare
sector gingen achteruit en velen verloren hun baan. Duizenden ambtenaren kregen
maandenlang helemaal geen salaris. Vakbonden werden aangevallen en vakbondsleden
werden ontslagen. Er werd drastisch gesneden in de sociale voorzieningen.
Daarvan werden de gepensioneerden het slachtoffer en iedereen die zich geen
particulier onderwijs of gezondheidszorg kon permitteren. De instroom van
buitenlandse fondsen leidde tot een wilde speculatie, wat leidde tot een crash
in de financiële sector en tot een kapitaalvlucht van 130 miljard dollar
(gelijk aan de nationale openbare schuld) door de Argentijnse bourgeoisie. In
1997 zette een recessie in en die ontwikkelde zich in 2001 tot een diepe
depressie. In Argentinië beloopt de werkloosheid of de gedeeltelijke
werkloosheid in verschillende gebieden nu tussen de 30 en 80 procent van de
beroepsbevolking. In het gebied van Buenos Aires liep de officiële werkloosheid
van 16 tot 18 procent snel op tot het dubbele. De meeste arbeiders met een baan
hadden tijdelijk of onzeker werk. In de grote arbeiderswijken liep de
werkloosheid op tot 30 of 50 procent. Overal viel de grote meerderheid van de
huishoudens onder de al karige armoedegrens.
De economische problemen werden nog erger door
de politieke omstandigheden. De drie presidenten Raul Alfonsin, Carlos Saul
Menem en Fernando de la Rua gaven niet alleen Argentinië’s “kroonjuwelen” aan
Argentijnse en buitenlandse kapitalisten weg voor een koopje. Zij braken ook
agressief de bestaande sociale wetgeving af en ze zuiverden ook de militairen
die verantwoordelijk waren voor 30.000 doden en verdwijningen. Om de armen een
beetje in het gareel te houden deelden de twee grootste partijen, de Radicalen
en de Peronisten, af en toe voedselpakketten en banen uit aan hun loyale
volgelingen, maar dat was volkomen onvoldoende. Deze economische, sociale en politieke
omstandigheden vielen samen met gunstige voorwaarden om massaorganisaties op te
bouwen. We kunnen onderscheid maken tussen de relatief objectieve voorwaarden
die gunstig waren voor organisatie en de bewuste strategieën van de
organisaties zelf. De gunstige objectieve factoren waren ondermeer de volgende:
1. Er bestond een grote concentratie van werkloze industriearbeiders, jongeren
die nooit werk hadden gehad en vrouwelijke gezinshoofden in wijken die
betrekkelijk homogeen waren en op zichzelf stonden en die niet erg werden
beïnvloed door lagere middenklasse. 2. In de wijken woonden grote aantallen
werkloze industriearbeiders met vakbondservaring en met een verleden van
collectieve strijd. 3. De lange duur van de crisis had zo’n verwoestend effect
op de huishoudens dat er een ongehoord groot aantal strijdbare vrouwen actief
werd (dat gold ook voor jongeren die meestal geen werkervaring hadden en voor
wie de toekomst er somber uit zag). 4. De wijken liggen dicht bij de grote
hoofdwegen, waarover goederen en forensen worden vervoerd tussen de grote
steden en over de grenzen. Het is natuurlijk niet genoeg als alleen de
omstandigheden gunstig zijn. Organisaties moeten daarop reageren met de juiste
strategie en taktiek. Het succes van de werklozenbeweging in Argentinië op dit
moment is te danken aan het feit dat ze geleerd heeft van de fouten en
valkuilen uit het verleden door zich onafhankelijk in de wijken te organiseren,
los van de vakbondsbureaucratie, electorale politieke partijen en het
staatsapparaat. De vakbonden, vooral de CGT, worden geleid door een corrupte en
repressieve groep goed betaalde bazen die nauwe banden onderhielden met het
Menem-regime en die er niets voor voelden om zich te verzetten tegen de
regering De la Rua en haar malaisepolitiek. Dat zij af en toe het regime
veroordeelden en zelfs af en toe een algemene staking organiseerden, werd door
iedereen - de regering en de arbeiders - beschouwd als betekenisloze
symbolische rituelen om ‘stoom af te blazen’ voordat ze het hoofd in de schoot
legden. Vroegere halfhartige pogingen van de vakbonden om werklozen te
organiseren zijn mislukt, ook de pogingen van de ‘strijdbare bonden’. Ondanks
de eisen uit hun programma’s om werkloze arbeiders te organiseren, hebben alle
bonden hun inspanningen geconcentreerd op hun betalende leden en op hun
sectorbelangen. Voorzover werklozen werden georganiseerd dienden ze vaak als
‘hulptroepen’ in eendaagse demonstraties en dat had erg weinig effect op de
economie of op hervormingen. Hetzelfde kan gezegd worden van de politieke
partijen, die directe repressie uitoefenden en daarnaast wat kruimels
uitdeelden aan de arbeiders en de leidingen van de arbeidersbeweging
coöpteerden. Het succes van de nieuwe organisatie van de
werklozen was zo wezenlijk te danken aan het feit dat ze de cliëntelistische
politiek van de partijbonzen en de vakbondsbureaucraten verwierpen en dat ze
vertrouwden op zelforganisatie en op directe actie. De Werklozen Arbeiders
Beweging (MTD) is begonnen en voortgezet als basisbeweging die wordt
georganiseerd en geleid door leden uit de wijk of de gemeente. De MTD kent een
sterk gedecentraliseerde structuur. Iedere gemeente kent haar eigen
organisatie, die gebaseerd is op de wijken binnen haar grenzen. Binnen een wijk
hebben gebieden van enkele woonblokken informele leiders en activisten. Iedere
gemeente wordt georganiseerd door haar algemene vergadering waar alle actieve
leden aan deelnemen. De politiek wordt bepaald door de algemene vergadering. De
eisen en organisatie van de wegblokkades worden collectief in een vergadering
vastgesteld. Als er is besloten welke hoofdweg er wordt geblokkeerd gaat de
vergadering steun organiseren in de wijken. Honderden en soms duizenden
vrouwen, mannen en kinderen doen mee aan de blokkade en ze zetten tenten en
gaarkeukens op langs de kant van de weg. Als de politie gaat dreigen, komen er
honderden mensen toestromen uit de nabijgelegen sloppenwijken. Als de regering
wil onderhandelen, eist de beweging dat de onderhandelingen plaats hebben met
alle piqueteros bij de blokkade.
Besluiten worden genomen op de plek van de actie door de algemene vergadering. Uit
ervaring wantrouwen de piqueteros het sturen van
afgevaardigden, zelfs van militante wijkbewoners, om individueel te gaan
onderhandelen in regeringsgebouwen, omdat zoals een van de leiders van de piqueteros het zei: “ze worden omgekocht
met een baan”. Zodra de eisen - meestal een bepaald aantal door de staat
betaalde tijdelijke banen - zijn binnen gehaald, worden die banen door
collectieve besluitvorming verdeeld volgens criteria die tevoren zijn
vastgesteld voor de behoeften van gezinnen en de mate van actieve deelname in
de blokkades. De banen worden gerouleerd als er minder banen zijn dan
werklozen. De piqueteros hebben ook
weer uit ervaring geleerd dat als individuele leiders de onderhandelingen
voeren en de banen verdelen, dat ze dan al snel familieleden, vrienden en
anderen voortrekken. En dat ze daarmee in caudillos
(persoonlijke leiders) veranderen met een begunstigingssysteem dat de
beweging corrumpeert. De taktiek van het afsnijden van de hoofdwegen
is ook van centraal belang voor het succes van de MTD. Dit is het functionele
equivalent van arbeiders die de produktiemiddelen neerleggen. Het verlamt de
circulatie van waren, zowel de input voor produktie als eindprodukten voor de
nationale of buitenlandse markt. Het stoppen van het verkeer is ook een
opwindende gebeurtenis vlakbij de wijken. Degenen die de blokkades organiseren,
lokale arbeiders zoals Pepino, Hippie en Piquete in General Mosconi, zijn
degenen die de meeste moed hebben om op te treden en eisen te stellen. De
meerderheid van de mensen steunt hen, maar ze durven zich niet goed te uiten.
Maar ze hebben wel massaal steun verleend aan de makkelijk bereikbare
wegblokkades in de omgeving en ze hebben de politie verhinderd om hun leiders
te arresteren. Van passieve armoelijders die onderworpen waren aan sociale
desorganisatie en opportunistische manipulatie zijn ze actief geworden in een
sterke solidariteitsbeweging en in een sociale autonome basisorganisatie en in
onafhankelijke politiek. De onmiddellijke eis van de werklozenbeweging
voor door de staat gesubsidieerde lokaal beheerde banen is gevolgd door andere
eisen: het verdelen van voedselpakketten, de vrijlating van honderden gevangen
genomen werkloze activisten en een sterke uitbreiding van de publieke
investeringen in watervoorziening, verharde wegen en gezondheidsvoorziening. De
eisen voor werkgelegenheid gaan verder dan alleen tijdelijk werk voor een
minimumloon en gaan ook over vaste banen met een loon om van te kunnen leven.
In General Mosconi hebben de leiders van de beweging meer dan driehonderd
projecten ontwikkeld - waarvan sommige al met succes gerealiseerd zijn - om
voedsel en werk te verschaffen, inclusief een bakkerij, kwekerijen,
waterzuiveringsbedrijven, eerste hulpposten in de wijken en vele andere
projecten. De stad wordt in feite geregeerd door het plaatselijke
werklozencomité, want de lokale gemeentelijke bestuurders zijn aan de kant
geschoven. In sommige arbeiderswijken heeft de werklozenbeweging praktisch
geleid tot bevrijd gebied, waar de macht van de mobilisaties de macht van het
lokale bestuur neutraliseert of overtreft en waar het de macht van de staat of
het land weerstaat in de kwesties die in de wijken aan de orde zijn. De opkomst
van een ‘parallelle economie’ op bescheiden schaal in General Mosconi versterkt
de steun van de bevolking voor verschillende stukken strijd en geeft een beeld
van de capaciteiten van de werklozen om hun lot, hun leven en de buurt in eigen
hand te nemen. Naast de lokale en onmiddellijke eisen heeft de
MTD het stopzetten geëist van betaling van de buitenlandse schuld en van de
bezuinigingsprogramma’s. Ze wil een omkering van het neoliberale beleid en ze
wil dat de staat weer economische ontwikkelingen gaat reguleren en financieren.
Begin september 2001 vonden er twee landelijke bijeenkomsten van
werklozengroepen plaats in Matanza en La Plata. Op deze bijeenkomsten kwamen
meer dan tweeduizend afgevaardigden bijeen van werklozen, vakbonden, studenten,
van NGO’s en van culturele groepen. Het doel was om activiteiten te
coördineren, ideeën uit te wisselen en om een nationaal programma en strijdplan
op te stellen. De vergadering van La Plata besloot tot zes onmiddellijke eisen:
1. Het stopzetten van de structurele aanpassingspolitiek, de politiek van
begrotingsevenwicht en van de juridische processen tegen gearresteerde en
andere activisten. 2. Het intrekken van de bezuinigingspolitiek. 3. De
uitbreiding en verdediging van de werkgelegenheid in de publieke sector,
voedselvoorziening voor alle werkloze arbeiders van boven de 16, het opzetten
van de registratie van alle werklozen onder de controle van de
werklozenorganisaties die op de vergadering bijeen kwamen. 4. Het betalen van
100 pesos per hectare aan kleine en middelgrote boeren om hun velden te kunnen
inzaaien. 5. Een ontslagverbod. 6. De onmiddellijke terugtrekking van de
politie uit de stad General Mosconi. De bijeenkomst riep op tot twee landelijke wegblokkades in september om hun eisen kracht bij te zetten. Daarnaast formuleerde de bijeenkomst nog vijf strategische doelen: 1. Het niet afbetalen van de illegale frauduleuze buitenlandse schuld 2. Openbare controle over de pensioenfondsen. 3. Hernationalisatie van de banken en strategische ondernemingen. 4. Kwijtschelding van de schulden van kleine boeren en betere prijzen voor hun produkten. 5. De laan uit met regimes die honger veroorzaken en tegen een roulering van politici. De bijeenkomst eindigde met de oproep voor een actieve driedaagse algemene staking en met het instellen van een landelijk comité dat activiteiten moest coördineren met de dissidente vakbondsfederatie de Central de Trabajadores Argentinos. De toekomst van de beweging De MDT is in Argentinië een macht geworden om
rekening mee te houden. Ze heeft zich snel uitgebreid vanuit Salta, Juijuy en
Matanzas naar de door armoede getroffen buitenwijken van Buenos Aires, Cordoba
en Rosario en naar de ‘spooksteden’ in het binnenland. Plaatselijke
organisaties hebben landelijke federaties gevormd, zoals bleek uit de twee
landelijke congressen die we hierboven besproken hebben. Dit succes steunt op
de mobilisatie van tienduizenden werkloze arbeiders en van duizenden
vakbondsactivisten, op de actieve inbreng van vrouwen en jongeren in de
beweging (zo’n zestig procent van de deelnemers zijn vrouwen) en het feitelijk
afdwingen van (beperkte) concessies van het regime. De kracht van de beweging
is echter het sterkst op lokaal niveau en is gebaseerd op de band van de buurt,
van wederzijds vertrouwen en concrete eisen. En de belangrijkste
aantrekkingskracht blijft dat de MDT actie organiseert - directe actie - in een
maatschappij die uitgeput is door de eindeloze “SAP” (structural adjustment
policies), het snijden in de begroting, de uitbreiding van het aantal slecht
betaalde banen en door de corruptie en onmacht van het Congres en het autoritaire
en elitaire karakter van de uitvoerende macht. De werkloze arbeiders vormen de
enige pool van verzet tegen dit alles en de MDT heeft de enige effectieve
taktiek: directe actie, het langdurige blokkeren van snelwegen totdat aan de
minimumeisen tegemoet wordt gekomen. Naarmate de werklozenbeweging gegroeid is in
aantal en in capaciteit om actie te voeren, heeft ze bondgenootschappen gevormd
met studenten van de universiteit, dissidente vakbonden, mensenrechtengroepen
en kleine linkse partijen. De belangrijkste taktische bondgenootschappen zijn
gevormd met de ambtenarenbonden (ATE) en met plaatselijke onderwijsbonden. De Madres de la Plaza de Mayo hebben morele
steun geboden en hebben hun aanhang gemobiliseerd, net als een aantal linkse
studentenorganisaties. Maar in alle gezamenlijke activiteiten, vooral die met
de vakbonden, heeft de werklozenbeweging hardnekkig vastgehouden aan haar
verworven autonomie en haar vrijheid van actie. De beweging heeft de
demagogische interventies van conventionele politici verworpen, die probeerden
hun eigen positie te versterken op basis van de toegenomen kracht van de
werklozenbeweging. De dynamiek en de ongekende groei van de
werklozenbeweging en hun succes met de wegblokkades bij het verlammen van het
vervoer van waren ging gepaard met heftige discussies en debatten over hoe het
nu verder moest. Een aantal belangrijke uitgangspunten kwamen naar voren in de
discussie van de beweging: 1. Lokale organisatie. De
oorspronkelijke en voortdurende kracht van de bewegingen is gebaseerd op hun
nauwe banden met de gemeenschappen, wijken en buurten. Maar naarmate de staat
de beweging heeft beantwoord met gewelddadige repressie, inclusief moord,
massale arrestaties en militaire bezetting en naarmate de economische malaise
voortduurt, is het voor veel activisten in de beweging duidelijk geworden dat
alleen collectieve actie op landelijke schaal voldoende kan zijn om het geweld
van de staat in te dammen en om concessies van het regime af te dwingen. Toch
verzetten sommige van de leiders die het meest succesvol zijn geweest in het
blijvend organiseren van het volksverzet zich hiertegen en wantrouwen zij
nationale bijeenkomsten en organisaties. De beweging in General Mosconi is hier
een voorbeeld van. Hun leiders weigerden om formeel mee te doen aan de twee
landelijke bijeenkomsten in september 2001. 2. Concurrerende groepen.
De gedecentraliseerde oorsprong van de beweging is een belangrijk en
noodzakelijk element geweest bij het bevorderen van lokale initiatieven en
leiderschap en bij het bewaren van de autonomie van de verschillende
bewegingen. Maar in een aantal gevallen zijn er politieke en persoonlijke
verschillen op de voorgrond getreden die in de toekomst de eenheid van actie
zouden kunnen ondermijnen. Hoewel de meeste werklozenbewegingen electorale
politiek verwerpen, hebben enkele leiders een plaats aangeboden gekregen op de
lijsten van linkse partijen, vooral van die van de nieuwe formatie de Sociale
Pool. Andere meningsverschillen gaan over de relatie met de gevestigde
dissidente vakbonden. Hoewel maar weinige leiders van de werklozenbeweging een
tegenstander zijn van tactische samenwerking, zijn er velen die bang zijn dat
de CTA en ATE op den duur de acties zouden kunnen gaan overheersen en dat ze de
beweging zullen manipuleren in overeenstemming met de gematigde agenda van
progressieve vakbondsfunctionarissen. Op een van de landelijke actiedagen in
augustus gaven de piqueteros, onder
invloed van de ATE, bijvoorbeeld toestemming voor het open houden van
alternatieve routes toen zij de grote hoofdwegen blokkeerden. Het doel van deze
concessie was om de middle class forensen ‘over te halen’ en om een gebaar te
maken naar de Minister van Arbeid. Veel van de werkloze activisten verwierpen
de strategie van ‘alternatieve routes’, omdat die in de praktijk het doel van
de wegblokkades zou ondergraven en de deur zou openen naar een demoralisatie
van de werklozen en de ondergang zou betekenen van de beweging ten gunste van
de traditionele vakbondspolitiek van pappen en nat houden. 3. Invloed van
traditionele politici. De grote kracht van de beweging komt voort uit haar
autonomie in de actie. Naarmate de acties en mobilisaties meer succes kregen,
probeerden conventionele opportunistische politici van de ‘oppositie’-partijen
(de Peronisten en anderen) enkele eisen over te nemen, boden ze aan om te
‘bemiddelen’ tussen de piqueteros of
om banen te redden en probeerden ze de beweging te verdelen om een deel ervan
te gebruiken om hun afgekalfde aanhang aan te vullen. De beweging heeft tot nu
toe weerstand weten te bieden aan de mooie praatjes van deze opportunistische
demagogen. Maar als de repressie erger zou worden en basisbehoeften niet
vervuld kunnen worden, dan komt men voor de scherpe keus te staan voor een
verdere politieke radicalisatie of de verleiding om in te gaan op ‘bemiddeling’
van de oude politieke bazen. 4. Studenten -
bondgenoten en gevaren. De werkloze arbeiders organiseerden de landelijke
conferentie van 7 en 8 september 2001. Maar er kwamen grote studenten-,
culturele- en andere groepen opdagen, die de sociale samenstelling van de
bijeenkomst verdunden. De lange en vaak langdradige verhalen van de studenten
die het woord voerden, droegen niet veel bij aan de duidelijkheid over de
toekomst van de beweging. Hoewel de afgevaardigden van de werklozenbeweging de
controle behielden en de deelname van studenten en anderen verwelkomden, waren
ze toch beducht voor de gebruikelijke ideologische scheuringen die de actie
verlammen. Het echte zoeken van sommige studentengroepen naar samenwerking met
de werklozenbeweging ging gepaard met een student die aan de bijeenkomst ging
uitleggen dat “globalisering onvermijdelijk betekende dat de beweging in deze
periode zou falen”. De afgevaardigden verwierpen unaniem dit soort bijdragen en
gingen verder met het aandragen van een serie praktische onmiddellijke en
strategische eisen. De werklozenbeweging van Lanus vroeg aandacht voor de druk
van onzalige bondgenootschappen die volgden op massademonstraties en voor het
vasthouden van de leiding door de autonome werklozenbewegingen. Deze groeistuipen laten zien dat de beweging met nieuwe uitdagingen te maken krijgt. De belangrijke kwestie is niet dat er problemen zijn, maar dat er openbare vergaderingen bestaan op lokaal, regionaal en landelijk niveau waar de werklozen kunnen discussiëren en deze problemen zo kunnen oplossen Conclusie Een van de debatten over de afnemende macht van
de arbeidersbeweging richt zich sterk op de toename van onzekere banen, de
groei van de informele sector en de groei van het aantal werklozen. Als ze ernaar gevraagd worden, zeggen de
vakbondsleiders steeds dat het zo moeilijk is om werklozen te organiseren, de
beperkte macht die werklozen hebben in het economisch systeem en het gebrek aan
belangstelling dat werklozen zouden hebben voor collectieve actie. De massieve
groei van de organisaties van werklozen in Argentinië stelt deze
veronderstellingen ter discussie en roept nieuwe vragen op. De ervaring in
Argentinië leert dat werkloze arbeiders georganiseerd kunnen worden, dat ze ook
collectief actie kunnen voeren, dat ze in de positie zijn om het economisch
systeem te verlammen en dat ze in staat zijn om over concessies te
onderhandelen en die af te dwingen op een manier die de georganiseerde
vakbonden de afgelopen jaren niet na hebben kunnen doen. Dit suggereert dat de neergang van de
arbeidersbeweging minder van doen heeft met het karakter van werkloosheid en
informele arbeid en meer met de structuur, de benadering en leiding van de
vakbonden. De werklozenbeweging organiseert van onderop, door mensen in de
wijken rechtstreeks aan te spreken. De vakbondsbureaucraten negeren arbeiders
die geen contributie betalen en als
ze iets organiseren sturen ze ‘professionals’. Het gevolg is dat ze er meestal
niet in slagen om het vertrouwen van de werklozen te winnen en er nog minder in
slagen om hen te organiseren. In de tweede plaats heeft de werklozenbeweging
een horizontale structuur, waarbij
leiders en leden uit dezelfde klasse voortkomen en als gelijken discussiëren in
openbare vergaderingen. De vakbonden zijn verticale structuren die zijn
opgebouwd rond persoonlijke loyaliteiten van de top-bureaucraten met hoge
salarissen. De werklozenbeweging is permanent actief in directe actie en ze
onderhandelt over eisen in openbare vergaderingen. De elites van de vakbonden
organiseren alleen symbolische protesten en onderhandelen dan met de staat of
de werkgevers achter gesloten deuren, waarbij ze dan een overeenkomst bereiken
die voorbij gaat aan de belangrijkste belangen van de arbeiders. Daarna ‘verkopen’
ze de overeenkomst aan hun leden of leggen die gewoon op. Het gevolg is dat de
werklozenleiders het vertrouwen en de steun genieten van hun achterban, terwijl
de vakbondsbonzen met wantrouwen worden bekeken, zo niet als actieve
collaborateurs van de bezuinigende staat en de ondernemers. De arbeidsmarkt, de grote hoeveelheid werklozen,
vormt een uitdaging aan het adres van de conventionele manier van top-down
organiseren, automatische contributie-inning en formele organisatie. Geen enkele vakbondsbons is bereid om door de modder
van de ongeplaveide wegen van de sloppenwijken te sjouwen om mensen te
organiseren. Of om bijeenkomsten bij te wonen in de vrieskou of in de smoorhete
geïmproviseerde vergaderplekken, temidden van schreeuwende kinderen en van vrouwelijke
actievoerders die onmiddellijk voedsel eisen en van jonge werklozen die
verveeld raken van lange verhalen over globalisering en werkloosheid. Geen enkele vakbondsleider staat achter de
barrikaden van brandende autobanden die de snelweg blokkeren en waarbij er door
de politie met scherp wordt geschoten. Zij geven de voorkeur aan een onderhoud
van een half uur op het Ministerie van Arbeid om een tripartite comité te
vormen voor een discussie over hoe de bezuinigingspolitiek kan worden
opgevangen en hoe het mogelijk blijft om te regeren. Het is in feite zo dat
bijna alle vakbonden zoals ze nu georganiseerd zijn, alleen zijn geïnteresseerd
in hun banden met de officiële partijen en dat ze totaal irrelevant zijn voor
het organiseren van werklozen of dat ze er zelfs een obstakel voor vormen. Door hun initiatieven en hun sociale
inventiviteit hebben de werklozen met vallen en opstaan een manier gevonden om
invloed uit te oefenen op de economie door het afsnijden van de hoofdwegen die
markten en produktievestigingen met elkaar verbinden. Het vroege succes van de
wegblokkades door werkloze olie-arbeiders in de spookstad Neuquen in 1996 heeft
deze methode verspreid over het hele land. Wegblokkades zijn de algemene tactiek geworden
van de uitgebuite en gemarginaliseerde groepen in heel Latijns Amerika. In
Bolivia hebben tienduizenden boeren en Indiaanse gemeenschappen hoofdwegen
geblokkeerd om kredieten te eisen en een betere infrastructuur, de vrijheid om
coca te verbouwen en meer investeringen in de gezondheidszorg en onderwijs. En
in Ecuador hebben mensen met massale wegblokkades gedemonstreerd tegen de dollarisatie van de economie en tegen
het gebrek aan investeringen in de binnenlanden. In Colombia, Brazilië en
Paraguay zijn wegblokkades, marsen en landbezettingen gecombineerd om
onmiddellijke eisen af te dwingen, maar ook voor een betere herverdeling van
land en tegen het neoliberalisme en de afbetaling van schulden. Wat al deze groepen gemeen hebben is dat het
gaat om niet-strategische groepen in de economie, die invloed uitoefenen op
strategische plekken van de economie. De exportsectoren, de banken, mijnbouw en
olie en sommige industriële sectoren vormen de belangrijkste verdieners van
buitenlandse valuta (om de schuld te kunnen betalen) en ze produceren inkomsten
en winsten voor de elites. Voedsel wordt geïmporteerd, evenals industriële
halfprodukten en kapitaalgoederen. Vanuit het standpunt van de elite die het accumulatieproces controleert, zijn de
activiteiten van de boeren, de werklozen, Indianen, landarbeiders, lokale
commerciële ondernemingen en kleine produktiebedrijven overbodig en niet
relevant voor de belangrijkste activiteiten - export, financiële transacties en
de import van luxe goederen. Maar
deze stroom goederen en kapitaal hebben een vrije doorgang nodig over de weg om
hun markten te bereiken. Zo kunnen “marginale groepen” strategische acties
voeren die het elitaire circuit doorbreken en die het accumulatieproces
verstoren. Wegblokkades vormen het functionele equivalent van het stoppen van de
machines en de produktielijn door industriële arbeiders: de ene blokkeert de
realisatie van winst en de ander blokkeert de schepping van waarde.
Massaorganisatie buiten het fabriekssysteem demonstreert de waarde van deze
strategie als die plaats heeft buiten de structuren van electorale partijen en
bureaucratische vakbonden. Autonome organisatie is de sleutel voor Argentinië en de rest van Latijns
Amerika. De ervaring leert dat de nieuwe massabewegingen strijd kunnen leveren,
zich kunnen verdedigen tegen harde repressie en dat ze tijdelijke en
onmiddellijke concessies kunnen afdwingen. De vorming van een landelijk coördinerend comité
van werklozenorganisaties in Argentinië en van soortgelijke landelijke
organisaties van boeren in heel Latijns Amerika laat zien dat lokale bewegingen
landelijk kunnen worden en dat ze potentieel de staat kunnen bedreigen. Veel kwesties vragen nog om een antwoord. Is het
mogelijk voor deze nieuwe bewegingen om zich te verenigen in een landelijke
politieke kracht en om de staatsmacht om te vormen? Kunnen er
bondgenootschappen worden gevormd met industriële stedelijke arbeiders die nog
werk hebben, met ambtenaren en met de middenklasse die in een neerwaartse
spiraal verkeert, om gezamenlijk een machtsblok te vormen die de economie kan
veranderen? Kunnen plaatselijke bijeenkomsten de basis vormen voor een nieuwe
vorm van socialisme? In Argentinië heeft het succes van de
werklozenbeweging een nieuw perspectief geopend voor het voeren van strijd in
het kader van een slepende en zich verdiepende depressie. Met de opkomst en groei van meer van
dergelijke bewegingen die zich baseren op directe actie in heel Latijns
Amerika, is het niet moeilijk om zich voor te stellen dat deze “marginale”
klassen naar elkaar toe groeien en zo een formidabele uitdaging gaan vormen
voor het imperialisme van de Verenigde Staten en haar lokale collaborateurs Noot: Dit artikel is eerder verschenen in Monthly
Review, januari 2002. De vertaling is van Rob Gerretsen
James Petras heeft de afgelopen elf jaar
samengewerkt met de Braziliaanse Beweging van landloze landarbeiders (MST) en
voor de beweging van werklozen in Argentinië. Hij heeft samen met Henry
Veltmeyer het boek Globalization Unmasked: Imperialism in the 21th Century (Zed
Books, 2001) geschreven en hij is de auteur van een bundel korte verhalen
Andando por el mundo (Altamira Publishing Group). |
| EditRegion3 |