De bijstand en het gevangenissysteem zijn twee communicerende vaten
Lezing van het boek 'straf de armen' van de Frans/Amerikaanse socioloog
Loic Wacquant en van enkele publicaties van Nederlandse criminologen leidde
tot onderstaand discussiestukje. Ik werk nog aan een uitgebreider verhaal.
Piet van der Lende
In de afgelopen decennia is geleidelijk aan de liberale strafstaat ingevoerd.
Wat is de liberale strafstaat? Dit is een overheidsbeleid, waarbij sterk
wordt bezuinigd op de sociale voorzieningen en strafmaatregelen worden
ingevoerd om de onderste lagen van de maatschappij te disciplineren en
op hun plaats te houden. Zij moeten de in toenemende mate gedesocialiseerde
loonarbeid verrichten die als gevolg van de flexibilisering van de arbeid
ontstaat. (Het begrip gedesocialiseerde loonarbeid wordt onderaan uitgelegd)
Aan deze arbeid kun je in toenemende mate geen materiele en immateriele
bestaanszekerheid ontlenen. Wie rebelleert tegen deze situatie of ontsnappingsroutes
zoekt wordt opgesloten en uitgesloten. In Nederland en Amerika is er een
explosie van het aantal gedetineerden.
Het Work First principe is komen overwaaien uit Amerika, waar het als
straf en disciplineringsmaatregel is ingevoerd na de afschaffing van de
bijstand onder president Clinton. Werklozen die niet in hun eigen levensonderhoud
kunnen voorzien worden in ruil voor voedselbonnen gedwongen arbeid te
verrichten. Mensen die rebelleren tegen het systeem, of om andere redenen
uit de boot vallen, zijn aangewezen op de informele sector en de illegale
straathandel om in hun levensonderhoud te voorzien. En daarvoor worden
ze ook weer gestraft. Er is een explosie van het gevangenissysteem in
de Verenigde Staten qua aantallen gevangenen, vooral uit de getto’s.
De situatie in Amerika is geanalyseerd door de Frans/Amerikaanse socioloog
Loic Wacquant, die een ook in het Nederlands vertaald boek heeft geschreven
getiteld ‘straf de armen’, waarin hij aantoont dat de bijstand
en het gevangenissysteem twee communicerende vaten zijn: wanneer de bijstand
wordt afgeknepen, gaan mensen naar de informele sector om in levensonderhoud
te voorzien, als ze geen andere mogelijkheden zien, en daarvoor worden
ze gestraft met opsluiting. Nederland is wat dit betreft het enige Europese
land dat met de VS kan worden vergeleken. In ons land is het aantal civielrechtelijke
detenties tussen 1985 en 2005 verviervoudigd. Dit zijn detenties dus van
mensen die geen criminelen zijn zoals uit huis plaatsingen, jeugdinrichtingen,
ter onderscheiding van strafrechtelijke detenties. Criminologen beargumenteren,
dat dit een rechtstreeks gevolg is van bezuinigingen op de jeugdzorg en
de opvang van psychiatrische patienten. Bovenstaande gegevens haal ik
uit een artikel van de criminologen M. Boone en M. Moerings, de cellenexplosie;
voorlopig gehechten, veroordeelden, vreemdelingen, jeugdigen en tbs in
Justitiele verkenningen van het WODC te downloaden op http://www.wodc.nl/onderzoeksdatabase/jv200704-detentieregiems.aspx?cp=44&cs=6797#publicatiegegevens
De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling heeft onlangs de redenen onderzocht
voor het toenemend aantal psychiatrische patienten in de strafrechtsector
(Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling: straf en zorg, een paar apart;
passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische
problemen. Amsterdam, SWP 2007. ) Zij komen tot dezelfde conclusies als
Boone en Moerman.
Waarom wordt de neo-liberale strafstaat ingevoerd?
Een belangrijke vraag voor iedere samenleving is hoe de samenleving bij
elkaar wordt gehouden, hoe een situatie kan ontstaan dat groepen en individuen
vreedzaam naast elkaar leven. Het liberalisme bevordert de concurrentie
van allen tegen allen en de overheid bezuinigt sterk op de sociale voorzieningen,
dus de bestaansbasis van de mensen die niet door middel van reguliere
betaalde arbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De concurrentie
tussen mensen wordt dus scherper. Tegelijkertijd leidt migratie tot een
veelheid aan verschillende groepen met een cultureel verschillende achtergrond.
Wie om wat voor reden dan ook niet meekan in de concurrentie race komt
langdurig aan de kant te staan. Tegelijkertijd zijn steeds weer nieuwe
mensen nodig met kant en klare nieuwe kennis en vaardigheden. Naast structurele
werkloosheid ontstaan grote tekorten op de arbeidsmarkt. Dit bevordert
weer de migratie. Kant en klare arbeidskrachten worden uit het buitenland
gehaald. Werkgevers willen niet voor de opleiding van nieuwe arbeidskrachten
betalen, tenzij de overheid hen subsidie geeft.
Er is een veralgemeende en geestelijke onzekerheid, die door het liberalisme
wordt opgeroepen en die nog versterkt wordt door de verspreiding van de
gedesocialiseerde loonarbeid.
Om de mensen onder deze omstandigheden bij elkaar te houden en de mensen
te dwingen ondanks de desocialisatie van de arbeid mee te blijven draaien
in de caroussel van de flexibele arbeid is de neo-liberale strafstaat
ontwikkeld. Dit is in feite een politiek van uitsluiting, waarbij de economisch
overbodigen uitgesloten worden van de maatschappij en ‘onschadelijk’gemaakt.
Het strafsysteem heeft een drieledige functie:
Ten eerste dienst onderaan de sociale ladder dient straf om de overtollige
delen van de bevolking op te slaan en fysiek te neutraliseren, met name
leden van gestigmatiseerde groepen die in de armoede zijn beland en volharden
in de sociale rebellie tegen hun sociale omgeving.
Een sport hoger op de maatschappelijke ladder vervult het netwerk van
sociale diensten, politie, inburgeringsorganisaties en het gevangenissysteem
een functie dat ze de discipline oplegt aan de betere lagen van de bevolking
en die delen van de middenklasse, die het moeilijk hebben en in bestaansonzekerheid
leven. De prijs die ze betalen voor een ontsnappings en verzetsstrategie
wordt alsmaar hoger.
Op een derde meer symbolisch niveau vervult het strafinstituut de functie
van een hernieuwde bevestiging van het gezag van de staat en de hervonden
wil van de politieke elite om duidelijke grenzen af te bakenen en er respect
voor af te dwingen door in haar uitsluitingspolitiek een onderscheid te
maken tussen verdienstelijke burgers en groepen met afwijkend gedrag,
tussen ‘goede’en ‘slechte’armen, tussen hen die
het verdienen ‘geintegreerd’ te worden in het circuit van
de precaire loonarbeid en degenen die op een index terechtkomen en worden
uitgesloten of opgesloten. De conclusie van Boone en Moerman is duidelijk:
‘Nederland is van een land dat bekend stond om zijn tolerantie
ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden tot een land dat zijn problemen
met minderheidsgroepen en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten’
Wat is de desocialisatie van de loonarbeid?
Afname van zeggenschap in je werk. Door de groei van de communicatie-technologie
kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger
manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische
hierarchien, de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven.
Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier
worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht
in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om
een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen.
Structurele werkloosheid naast tekorten op de arbeidsmarkt. Automatisering
leidde ertoe, dat de bureacratische pyramides in organisaties ingrijpend
veranderden. De basis van de pyramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel
bij hand arbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties
als barcodelezers, stemherkenningstechnologie, en micromachines die het
werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden
beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg,
dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen
een permanente, structurele werkloosheid heerst.
Toename flexibele arbeid. De overheid bevordert flexibele arbeid door
afschaffing van rechtsbescherming voor werkenden, het mogelijk maken van
tijdelijke contracten en het bevorderen van uitzendwerk door de oprichting
van uitzendbureau's.
Geen mogelijkheden meer een netwerk van sociale relaties op te bouwen.
In de bureaucratische productiestructuren van vroeger hadden mensen voor
langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties
op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij
ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een
zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk wanneer
ze tenminste niet aan de lopende band stonden. Ze waren trots op de organisatie
waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze
binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is
geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen.
Het 'sociaal kapitaal' verdwijnt uit de productie-organisaties. De voortdurende
organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen
worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij
mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het
personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele
vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
Piet van der Lende
|