|
Bespreking van het boek ‘ Workfare,
Sozialstaatliche Repression im Dienst des globalisierten Kapitalismus
geschreven door Kurt Wyss.
Van Welfare naar Workfare: de creatie van een onderklasse als beleidsinstrument In de laatste decennia werd in vele westerse landen een sociale politiek opgetuigd die zich laat omschrijven met ‘iedereen doet mee’, ‘iedereen werkt mee’, werk in plaats van bijstand, Wisconsinmodel, arbeidsintegratie, Melkertbanen, Work First, participatiebanen, sociale activering, etc. Men vat deze en andere maatregelen wel samen onder het Engelse woord ‘workfare’, ter onderscheiding van de oude welvaartstaat met haar bureacratische uitkeringsfabrieken waar de nadruk lag op het recht op een uitkering waarvan de verstrekking soepel moest verlopen. In zijn algemeenheid is Workfare een politiek, waarbij werkloos of arbeidsongeschikt geworden personen door middel van verplichtende maatregelen weer naar het verrichten van loonarbeid moeten worden teruggebracht. Het woord is een samentrekking van work en welfare en bedoeld aldus uit te drukken, dat een werkelijk sociale politiek erop gericht is, mensen de gelegenheid te geven zich middels betaald werk te ontplooien, een bijdrage te laten leveren aan de voortbrenging van de welvaart en rijkdom en voor hen een ‘zelfstandig’ bestaan mogelijk te maken. Op deze wijze wordt de afbraak van sociale verzekeringen en het stopzetten van bijstandsuitkeringen wanneer men naar het oordeel van de overheid niet voldoende meewerkt, gemotiveerd. De overgang van de welfare maatschappij naar de workfare maatschappij heeft zich overal in de Westerse staten voltrokken. Kurt Wyss stelt de vraag hoe het kan dat er geen onderzoek wordt gedaan naar de effecten van de beleidsverandering als het gaat om de vraag wat er gebeurt met de mensen die uit het systeem vallen en zonder uitkering zitten als gevolg van de strenge maatregelen in het Workfare-systeem. En hij stelt de vraag waarom toch met het beleid doorgegaan wordt terwijl in alle landen keihard is aangetoond dat het beleid niet werkt en de uitstroom naar betaalde arbeid gering is. De beleidsmakers en een deel van de wetenschappers die –in dienst van de beleidsmakers- qua empirische basis aanvechtbaar onderzoek doen naar de effecten van workfare lijken doof te zijn voor alle argumenten en onderzoeken die de inefficientie en ineffectiviteit van het workfare concept aantonen. Men gaat stap voor stap gestaag door op de ingeslagen weg, waarbij de bestuurders steeds meer repressieve instrumenten ontwikkelen. theorie Wyss heeft daar een theorie over. De retoriek die de invoering van workfare moet rechtvaardigen is dat er een onderklasse dreigt te ontstaan en dat daarom de mensen die daarnaar dreigen af te zakken moeten worden geintegreerd in de maatschappij. Dat moet met enige dwang gebeuren op straffe van korting of zelfs stopzetting van de uitkering. Je moet de mensen echt helpen (de retoriek van de sociaal-democraten zoals Tony Blair) want mensen moeten zich middels betaalde arbeid kunnen ontplooien en zelfstandig worden. Maar hierboven werd aangegeven, dat het effect van workfare wat deze doelstellingen betreft gering is. Waarom gaat men ondanks alle kritieke stug door? Omdat het workfare systeem wel werkt, bedoeld of onbedoeld, maar op een andere manier. In plaats van integratie heeft de overgang naar een workfare-systeem in werkelijkheid de bedoeling te komen tot de creatie, handhaving, stigmatisering en isolering van een afhankelijk gehouden minderheid, een onderklasse, die streng wordt behandeld. Door workfare stromen de leden van die groep niet uit, ze worden juist afhankelijk gehouden en er juist in vastgehouden en heen en weer geslingerd tussen het ene traject en het andere, tussen de ene hulpverlener en de andere, ze komen tot wat men noemt ‘recidive’, waarmee zij weer kunnen worden gestigmatiseerd. Legio zijn de voorbeelden van werklozen die een carriere van soms tien jaar achter de rug hebben waarbij ze zonder resultaat van het ene traject in de reintegratie-industrie in het andere terecht gekomen zijn. Met de creatie van een onderklasse dient men twee doelen. Ten eerste leidt het tot disciplinering van de rest van de bevolking. Mensen die een conflict hebben met hun baas, of het hoge werktempo maar nauwelijks kunnen volhouden zullen zich wel drie keer bedenken voor ze ontslag nemen. Het workfare-systeem, met zijn mensonterende arbeid in de work first projecten staat de mensen als een schrikbeeld voor ogen. De tweede functie is, dat het afzonderen, zichtbaar maken en streng behandelen van een minderheid in een zogenaamde onderklasse de mogelijkheid biedt van projectie: de mondialisering, de flexibilisering van de arbeidsmarkt en de verhevigde concurrentie tussen arbeidskrachten, ook met arbeidskrachten uit andere (EU) landen leidt bij veel mensen tot een gevoel van bestaansonzekerheid waaruit onbestemde onlustgevoelens uit voortkomen. Een permanente onderklasse biedt de mogelijkheid van projectie: onlustgevoelens voortkomende uit de onzekerheid over het eigen bestaan, worden niet omgezet in kritiek op het maatschappijsysteem, het kapitalisme, dat tot de onzekerheid leidt, maar kunnen worden geprojecteerd en afgereageerd op de onderklasse, die voor een groot deel uit migranten bestaat. Op die manier blijven de werkelijke oorzaken van de onlustgevoelens buiten beeld. Zo probeert men ‘de boel bij elkaar te houden’ op een specifieke manier, waarbij een minderheid wordt geslachtofferd. Hoewel het boek met vele historische sleutelteksten komt, ontbreken vooralsnog de historische documenten die zijn theorie kunnen staven. Hij verwijt verschillende wetenschappelijke onderzoekers naar de effectiviteit van het workfare beleid wel, dat de empirische basis van hun onderzoeken zwak is, maar dat geldt althans in dit boek ook voor de empirische basis van zijn eigen theorien. Het wachten is op de klokkenluiders die de ware bedoelingen van de beleidsmakers en hogere uitvoerders onthullen. Andere doelen De creatie en handhaving van een onderklasse zou bedoeld of onbedoeld nog meer doelen kunnen dienen, die overigens slechts kort door Wyss worden behandeld. Het is een middel om geld te verdienen. In de eerste plaats de omvangrijke reintegratie-industrie, met haar vele bemiddelings en adviesbureau’ s en organisaties. Maar ook in andere bedrijfstakken (schrijvers en journalisten, uitgevers van boeken, media zoals televisie) is het actuele thema van de integratie van de onderklasse en hoe die te realiseren een goed verkoopbaar product. Nog een andere functie: De beleidsmakers (politieke bestuurders en ambtenaren of sociale partners uit de hogere regionen) proberen middels de inzet van vele miljarden niet alleen de reintegratie-industrie te financieren, maar ook middels het mogelijk maken van subsidies voor werkgevers en werken met behoud van uitkering in diverse vormen de gecreeerde onderklasse weer direct een loondrukkende functie te geven. Mensen die op deze gesubsidieerde arbeid worden ingezet doen vaak regulier werk, waarbij mensen die dit werk eerst deden worden weggeconcurreerd, omdat de gesubsidieerd werkenden gratis of zeer goedkoop zijn. De vakbeweging verzet zich met name tegen deze laatste ontwikkeling, de verdringing van bestaande betaalde arbeid, omdat daarmee rechtstreeks de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden in verschillende sectoren onder druk komen te staan en de positie van werknemers verzwakt bij CAO-onderhandelingen. De vakbonden verzetten zich minder tegen de andere bedoelde of onbedoelde gevolgen van workfare: het projectiemechanisme en het disciplineringsmechanisme. De reden daarvan is dat om daar kritiek op te leveren je een meer maatschappijkritisch standpunt moet innemen en een offensiever beleid moet voeren ten aanzien van de inrichting van de maatschappij waarbij je de maatschappelijke oorzaken van de toenemende bestaansonzekerheid naar voren haalt. Dit zet echter de positie van de erkende vakbonden als institutionele partner in de overlegmaatschappij van werkgevers, werknemersorganisaties en overheid onder druk. Binnen de bestaande kapitalistische verhoudingen hebben ook de vakbondsleiders en minstens een deel van hun achterban belang bij een niet al te omvangrijke onderklasse, die vervolgens onder controle wordt gehouden. Zero tolerance De workfare ideologie werd verbreid door conservatieve denkfabrieken
in de westerse landen, met name de Verenigde Staten van Amerika, in nauwe
samenhang met de politiek van ‘zero-tolerance’. Reeds kleine
vergrijpen en criminaliteit moest streng worden bestraft, en middels allerlei
disciplineringsmaatregelen moet de bevolking tot een ‘verantwoordelijk
burger’ worden opgevoed. In aanvulling op Wyss kan worden gezegd
dat vooral in Nederland en de Verenigde Staten een sterke beperking van
de toegang tot de bijstand en de sociale zekerheid gepaard gaat met een
explosie van het aantal mensen dat wordt opgesloten, vaak zonder dat ze
een strafbaar feit hebben begaan. Met name allochtonen en mensen die door
een lichamelijke en/of geestelijke handicap moeilijk mee kunnen in de
ratrace om de flexibele baantjes worden sterk getroffen. Schuld en boete Een bepalend kenmerk van Workfare is, dat als het om de vraag van integratie
en aansluiting bij de maatschappij van allerlei mensen gaat, het alleen
maar van de goede wil van de desbetreffende persoon, zijn of haar optimisme,
vermogen om zich te presenteren, geestelijke stabiliteit, etc. afhangt
of dat gelukt. Het gaat er dus bij workfare en alle daarmee samenhangende
cursussen op het gebied van scholing, empowerment-trainingen en andere
cursussen om de wil van de betrokkenen in een bepaalde richting te dwingen.
De mogelijkheden van integratie van individuen in de maatschappij hangt
echter in sterke mate samen met de verdelingsmechanismen in het kapitalistisch
systeem en is niet alleen afhankelijk van de wil van de betrokkenen. De
meeste bedrijven zijn in een kapitalistische maatschappij onder concurrentieverhoudingen
totaal niet geinteresseerd in langdurig werklozen. Zij hebben de keus
uit arbeidskrachten die ‘beter’ zijn. Juist die andere oorzaken
worden in het workfare systeem echter buiten beschouwing gelaten. Dit
leidt ertoe, wat door empirische onderzoeken wordt bevestigd- dat de workfare-methoden
falen om een werkelijke integratie te bewerkstelligen. Dit falen van het
workfare systeem wordt echter uitgelegd als de schuld van degenen die
ondanks de genereuze financiele middelen en inspanningen van de reintegratieconsulenten
en andere hulpverleners niet toegeleid kunnen worden naar de betaalde
arbeid. Zij verschijnen dan in de beeldvorming als de door eigen schuld
in de bijstand of andere minimale regelingen verblijvende onaangepasten
die weigeren hun kansen te grijpen. Drietraps raket Het door Wyss uitgebreid geanalyseerde brandmerken van de bijstandsgerechtigden
en in zijn algemeenheid leden van een onderklasse wordt georganiseerd
in ‘begeleiding’, onder controle houden en pogingen tot ‘normalisering’
op basis van een beleid met verschillende stadia van ontwikkeling. Het
is een soort trap met verschillende hierarchisch ingedeelde treden, waarbij
de bedoeling is dat de betrokkenen promoveren naar een steeds hogere trede.
Op iedere trede worden andere beheersinstrumenten ingezet. In Amsterdam
kent deze trap maar liefst zeven treden, waarbij de bovenste, zevende
trede het betaalde werk is. Wyss onderscheidt drie hoofdstadia. Tot slot Wyss analyseert in het boek uitgebreid de ideologische achtergrond van
de workfare ideologie. Beter is het niet te spreken van een bepaalde ideologie.
Want het vervelende met de workfare maatregelen is, dat vanuit verschillende
levensbeschouwelijke overtuigingen iets voor deze maatregelen te zeggen
valt. Neo-conservatieven, neo-liberalen en sociaal-democraten hebben uiteenlopende
visies op workfare en bediscussieren die in de politieke arena, maar op
de achtergrond werken ze nauw samen in de uitwerking omdat ze er allemaal
belang bij hebben. Wyss analyseert uitgebreid de verschillen en overeenkomsten
tussen die verschillende politieke stromingen. Piet van der Lende |