Centrale Raad van Beroep te Utrecht
 Zitting d.d. 17 november 2009, 11.05 uur
Procedurenr.: 07/1230, 06/5735, 06/4701, 07/3386, 07/2406, 07/2202
 _____________________________________________________________________________
      PLEITAANTEKENINGEN van mr M.A. van Hoof
 inzake: de heer XXXXX
 tegen:
            BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN AMSTERDAM,
kantoorhoudende te Amsterdam,

eiser;
procureur: mr
______________________________________________________________________________
Edelachtbare Heer/Vrouwe,
1. Thans zijn als het goed is vier zaken aan de orde, een afstemming vanwege weigeren mee te werken aan Consolid, twee maal een afstemming vanwege mee te werken aan het Hoya-traject en daarmee samenhangende het besluit van verweerder om de heer XXX door te verwijzen naar het Hoya-traject.

2. Terzake het Consolid-traject kan in deze nog worden opgemerkt dat XXX heeft geweigerd er aan mee te werken, daar hem voorafgaand door verweerder in het geheel niet duidelijk is gemaakt wat reden en doel van het traject was. Verweerder heeft niet goed kunnen motiveren met welke leer- en werkcombinatie hij het beste gediend was.

3  Met betrekking tot werkzaamheden tot Fantasy Factory nog het volgende.
4.  In gedingstuk 26 waarbij verweerder reageert op uw brief van 2 september 2008 stelt verweerder dat uit het beleidsvoorschrift inzake reïntegratie niet valt af te leiden dat de klant de mogelijkheid heeft zelf met een trajectplan te komen. Onder punt 1.3.8 valt te lezen dat de regie over de klant ligt bij de klantmanager. Echter, ingevolge 1.3.6 is verweerder van oordeel dat werkervaring opdoen nuttig kan zijn voor een klant. Soms gaat een klant op eigen initiatief onbetaald werk doen, of doet hiervoor een voorstel aan DWI. Kijk dan kritisch naar de aard van het werk. Onbetaald werk met behoud van uitkering is wel mogelijk, maar slechts voor beperkte tijd. XXX heeft meerdere malen gevraagd of het mogelijk was om met behoud van uitkering de werkzaamheden te verrichten bij de Fantasy Factory. XXX kreeg echter te horen dat er een baangarantie zou moeten worden afgegeven door Fantasy Factory. Dat bedrijf kon echter geen baangarantie garanderen dus moest XXX in plaats van dat hij zich verder kon verdiepen in het computerprogramma voor driedimensionale films moest hij plantjes gaan stekken. Zie ook de beslissing op bezwaar van 6 februari 2007, gedingstuk 14 ten overstaan van de rechtbank.

5.  Als bij de Memorie van Toelichting bij de WWB blijkt als vorig jaar nog eens gemeld door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dient bij het aanbieden van een trajectplan maatwerk te worden geleverd, waarbij naar de mogelijkheden van de persoon moet worden gekeken. In casu is daar geen sprake van, anders dan wordt gesteld dat XXX aan eerdere trajecten niet heeft meegewerkt en dat het Hoya-traject de laatst mogelijke optie voor hem is. Noch voor wat betreft Consolid, noch voor wat betreft het Hoya-traject is er sprake van maatwerk. XXX wordt simpelweg doorverwezen naar een andere organisatie en die mag het uitzoeken. Noch verweerder, noch XXX heeft op het moment dat wordt bepaald dat XXX naar Consolid diende te gaan dan wel naar het Hoya-traject had enig inzicht in de te bereiken doelen, anders dan uitstroom naar arbeid, maar op welke wijze die uitstroom zou moeten worden gerealiseerd, wat van XXX zou worden verwacht, etc. was geen sprake.

6. Het is aan de gemeente om te beoordelen op welke wijze het verzoek van de betrokkene wordt gehonoreerd. De gemeente bepaalt allereerst, mede op basis van het reïntegratieadvies van de CWI, of een ondersteuning richting arbeidsinschakeling noodzakelijk is. Vervolgens moet de gemeente bepalen uit welke elementen deze ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod zal moeten passen binnen wat de gemeente, mede blz. 8 gelet op de beschikbare financiële kaders, in een verordening heeft opgenomen over haar reïntegratiebeleid.

7. Van belang bij de uiteindelijke keuze van een traject is een actieve opstelling van de cliënt in de contacten met de casemanager en met het reïntegratiebedrijf. Cliënten die hun eigen traject mee kunnen samenstellen, zijn meestal gemotiveerd. Inspelen op de persoonlijke voorkeur en persoonlijke aandacht zijn belangrijke succesfactoren voor een geslaagde reïntegratie. De ideeën en voorstellen van de cliënt worden hierbij beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstelling van een (op termijn) duurzame plaatsing in een reguliere baan.

8. Het uitgangspunt van individueel maatwerk geldt uiteraard ook voor het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Steeds wordt bij iedere belanghebbende onderzocht wat diens individuele capaciteiten en mogelijkheden zijn en op welke wijze arbeidsinschakeling het best bevorderd kan worden.
 

9. Hangende het beroep bij Uw Raad heb ik een aantal voorbeelden in geding gebracht van mensen met een bijstandsuitkering die door verweerder zijn aangemeld bij het Hoya-traject c.q. waarin wordt gedreigd met aanmelding bij het Hoya-traject. In al deze zaken is de enige motivering dat die persoon onvoldoende of niet zou hebben meegewerkt aan een eerder traject. In geen van de in geding gebrachte voorbeelden wordt door verweerder aandacht besteed aan afstand tot de arbeidsmarkt, het op tijd moeten komen, samenwerken met collega's, kortom aspecten die een snelle terugkeer naar de arbeidsmarkt zouden belemmeren.

10. Het criterium is dus niet de afstand tot de arbeidsmarkt en daar zoeken wij een traject bij. Nee, u toont onwelwillend gedrag en dat is het criterium om iemand door te verwijzen naar Hoya. Doel van het traject is dus om dat gedrag aan te passen, althans gedrag dat verweerder als onwelwillend ziet. B&W van Amsterdam willen dat gedrag repareren middels het laten verrichten van arbeid in het kader van het Hoya-traject, per saldo komt dit neer op sanctioneren van onwelwillend gedrag middels arbeid.

11. In casu is het primaire doel van het Hoya-traject disciplinering van zogenaamde “niet willers”. Het is een lik op stuk-beleid, oftewel deze werkzaamheden worden verricht onder een reële dreiging van enerlei vorm van bestraffing wanneer deze niet of niet voldoende worden uitgevoerd in het opleggen van bijvoorbeeld een afstemming.

12. De verplichting ex art. 9. om mee te werken aan werken met behoud van uitkering mag alleen worden opgelegd indien de te verrichten werkzaamheden noodzakelijk zijn om uit te stromen naar regulier werk. Dit houdt in dat de gemeente heeft vastgesteld dat de cliënt baat heeft bij het opdoen van werkervaring dan wel enige tijd nodig heeft om te wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid, zoals regelmaat, gezagsverhouding etc. (Kamerstukken 2, 2002-2003, 28 870, NR. 3, blz. 39).

13. Op 17 november 2008 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstuk 28 719, nr. NR 61) een reactie verzonden aan de Tweede Kamer op de uitspraak van de rechtbank Arnhem in de beroepszaak thans bekend als De Schoffelaar. De Staatssecretaris meldt de Tweede Kamer dat de uitspraak in overeenstemming is met de WWB waarin maatwerk als uitgangspunt voor arbeidsinschakeling geldt. Daarnaast zijn de beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing, waaronder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Daaruit vloeit voort dat de gemeente haar besluit voldoende dient te motiveren. Deze uitspraak maakt duidelijk dat bij inzet van Work First-trajecten gemeenten goed moeten motiveren met welke leer- en werkcombinaties bijstandsgerechtigden het beste gediend zijn. Een dergelijke motivering ontbreekt in XXX.

14.  XXX beschikte over de basisvaardigheden die hij in het Hoya-traject zou moeten opdoen. XXX werkte op dat moment al geruime tijd drie dagen per week gedurende normale arbeidstijden voor Fantasy Factory.

15. In de zaak van Van der Mussele heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat ondanks eventuele instemming met de werkzaamheden toch sprake kan zijn van verplichte arbeid ex art. 4 EVRM. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer “In the case of a service required in order to gain access to a given profession, if the service imposed a burden which was so excessive or disproportionate to the advantages attached to the future exercise of that profession, that the service could not be treated as having been voluntarily accepted before hand; this could apply, for example, in the case of a service unconnected with a profession in question. De Rechtbank Arnhem heeft uit de overwegingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgeleid dat onder “penalty” ook wordt begrepen een sanctie waarbij de uitkering wordt verlaagd maar die, zoals hier het geval is, een niet punitatief karakter heeft.

16. In casu kan ook worden betwijfeld dat een reïntegratietraject als een normale burgerplicht als bedoeld in art. 4, 3e lid, aanhef en onder d. EVRM moet worden aangemerkt. Het Hoya-traject kan toch moeilijk worden gezien als een verplichting tot dienstverlening ten algemene nutte, noch is het zo dat het verplicht verrichten van onbetaalde arbeid buiten het begrip normale burgerplicht valt, te meer nu de WWB aan het ontvangen van bijstand niet per definitie de verplichting koppelt tot het verrichten van onbetaald werk.

17. De vraag die dan moet worden gesteld: Wanneer kan men spreken van vrijwilligheid? Wanneer is er sprake van het afdwingen van arbeid en wanneer is er sprake van het vrijwillig verrichten van die arbeid, het Europees Hof werkt dat in hetzelfde arrest nader uit, waarbij dingen een rol spelen als: Worden aan iemand werkzaamheden opgelegd, die hij normaliter niet pleegt te doen, zijn er voor hem al dan niet bepaalde voordelen aan verbonden, en is de opgelegde last al dan niet evenredig?

18. Tussen de gedingstukken in de zaak XXX bevindt zich een verweerschrift dat in april 2009 aan de Rechtbank Amsterdam is gezonden, gedingstuk 24. Hierin meldt verweerder dat het Hoya-traject weliswaar een disciplineringstraject kende, doch aansluitend geschiedde in de regel een oriëntatie- en matchingstraject. Het eerste deel van het traject is dus disciplinering. 

19. De verboden tot dwangarbeid, als neergelegd in art. 1, 2e lid 2, van het ESH, art. 4 van het EVRM, art. 8 BuPo, art. 6, 1e lid, Esocul en de ILO-verdragen 29 en 105 verzetten zich tegen een wettelijke regeling waarbij aan personen wettelijke arbeidsverplichtingen worden opgelegd, behoudens in gevallen waarin één van de beperkte uitzonderingsgronden, als genoemd in die artikelen, zich voordoet.

20. In een uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 26 juli 2005 in de zaak Siliadin tegen Frankrijk laat het Hof er geen twijfel over bestaan dat op verdragstaten de positieve verplichting rust om onderdanen concreet en effectief te beschermen tegen schending van art. 4 EVRM. Voor wat betreft de uitleg van dwangarbeid volgt het hof de definitie uit art. 2. van het ILO-verdrag inzake gedwongen arbeid (ILO 1930, Convention concerning forced labour). In dit verdrag wordt onder gedwongen of verplichte arbeid of diensten verstaan elke arbeid of dienst die van een individu wordt vereist onder dreiging van een straf en waarvoor het individu zich niet uit vrije wil beschikbaar heeft gesteld. Van dreiging met een straf in letterlijke zin hoeft geen sprake te zijn. In deze zaak oordeelt het hof dat van dreiging van een straf al sprake is wanneer in dit geval een werkgever de vrees van een minderjarige, alleenstaande, illegale werknemer om door de politie te worden opgepakt bewust aanwakkeren.

21. Het recht om niet gedwongen te worden om dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten staat ook in artikel 4, tweede lid van het EVRM. Dit artikel behelst één van de kernbepalingen van het verdrag en staat ook geen uitzonderingen toe – zelfs niet in een noodsituatie (EHRM, Siliadin v. Frankrijk, 26 juli 2005, nr. 73316/01, r.o. 112).

22. Art. 4 EVRM verbiedt naast dwangarbeid ook dienstbaarheid, dienstbaarheid betekent een verdergaande ontkenning van de persoonlijke vrijheid. Die elementen, de dreiging met enige straf en het gebrek aan vrije wil kunnen vertaald worden naar concrete indicatoren, afhankelijkheid kan er één van zijn. Het ontvangen van bijstand leidt tot afhankelijkheid.

23. In casu is er een plicht, en die plicht is neergelegd in art. 9, WWB. Een ieder is verplicht mee te werken aan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Weliswaar biedt art. 9, lid 2, daar tijdelijk, onder bijzondere omstandigheden, vrijstelling van, maar het uitgangspunt is dat de plicht voor iedereen van rechtswege geldt.

24. Nu kan in deze worden betoogd, zoals in dit soort situaties standaard wordt gedaan, dat iemand het recht heeft om een bijstandsuitkering aan te vragen, maar niet daartoe verplicht is.

25. De Rechtbank Amsterdam heeft overwogen dat XXX er zelf voor heeft gekozen om een bijstandsuitkering aan te vragen en dat in dat kader van hem bepaalde inspanningen mogen worden verlangd. Indien XXX daaraan geen medewerking wenst te verlenen staat hem dat vrij. Echter, aan de voortzetting van het recht om te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan koppelt verweerder de verplichting dat XXX zich moeten laten disciplineren.

26. Ingevolge art. 20 van de Grondwet is bijstand een grondrecht. Ook kan in deze worden verwezen naar art. 13 van het Europees Sociaal Handvest. Indien iemand niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan is de overheid gehouden daar in te voorzien. Art. 20 regelt namelijk dat Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij wet te regelen recht op bijstand van overheidswege. De overheid heeft ingevolge de omschrijving in de Grondwet minder beleidsvrijheid omdat bijstand als vangnet fungeert voor burgers die geen sociale zekerheid genieten. Wat gebeurt er als je een vangnet weghaalt, dan stort iemand te pletter. Indien wij dus als gemeenschap betogen: u hoeft geen gebruik te maken van uw recht op het vangnet, betekent dat tegelijkertijd dat je zegt: stort maar te pletter.

27. Als je die redenering wil volgen dan kun je die stelling loslaten op alle andere vangnetbepalingen die Nederland heeft: de AOW, de WAO, de WIA, de Wajong, etc. En dan kun je dus van al de mensen die gebruik maken van die regelingen stellen: u hebt een recht, maar geen plicht om er van gebruik te maken, om vervolgens allerlei regels te bedenken die indruisen tegen hetgeen strijdig is met een rechtstaat. Op dit moment is het zo dat de WWB voor iedereen geldt die zelf niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, daar zitten mensen tussen die kunnen werken, die direct aan de slag kunnen, die dus een geringe afstand hebben tot de arbeidsmarkt, er zitten mensen tussen die een middelmatige afstand hebben richting de arbeidsmarkt en er zitten mensen tussen met een zeer forse afstand tot de arbeidsmarkt, en er zitten mensen tussen die vanwege hun medische situatie nooit meer aan het arbeidsproces zullen kunnen deelnemen.

28. Naar het oordeel van Uw Raad is in diverse verdragsbepalingen uit het ESH en IVESCR sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een afdwingbare aanspraak op bijstand valt te ontlenen, zie bijvoorbeeld LJN: DI9325.

29. Uw Raad heeft in meerdere uitspraken wel geoordeeld dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het “very essence” van het EVRM aanmerkt, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid, zie bijvoorbeeld LJN: BG8789 en laatstelijk nog BK3116. In het kader van menselijke waardigheid kan in deze worden betoogd dat zulks ook de positieve verplichting meebrengt dat mensen die niet kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan recht hebben op bijstand van overheidswege.

30.  Uw Raad heeft daarbij art. 8 van het EVRM zo uitgelegd dat in art. 8 van het EVRM het recht besloten ligt op respect voor het privé-leven en gezinsleven en dat dit mede omvat de fysieke en psychische integriteit van die persoon en er primair op is gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft meerdere malen geoordeeld dat art. 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen.

31. Op 29 januari 2008 heeft de heer Vonk bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar sociaal zekerheidsrecht een rede uitgesproken. De rede heet: Recht op sociale zekerheid, van identiteitscrisis naar hernieuwd zelfbewust. Hij voert daarin onder andere aan: “Eén van mijn studenten heeft vorig jaar een scriptie geschreven over de relatie tussen het werk met behoud van uitkering en het grondrechtelijk verankerde recht op vrije arbeidskeuze en het verbod op dwangarbeid. In zijn rede stelt hij het volgende: “Ik was nieuwsgierig om te weten waar het omslagpunt ligt tussen de afgeschafte publieke werkverschaffing en de moderne manifestaties daarvan, in de vorm van Work First-projecten en participatiebanen. Na bestudering van een aantal oordelen van het hof en de Commissie voor de Rechten van de Mens, was de schrijfster tot de conclusie gekomen dat er twee factoren zijn die het omslagpunt bepalen. In de eerste plaats moet het werk een bijdrage leveren aan de persoonlijke ontwikkeling van de bijstandsgerechtigde en diens vermogen om zelfstandig betaalde arbeid te verrichten. Als mensen worden gedwongen tot werk, dan moeten daar passende en kwalitatief aanvaardbare activiteiten tegenover staan. In de tweede plaats moet het sanctieregime redelijk en proportioneel zijn. Duurzaam volledig korten mag niet. Deze analyse lijkt mij juist, zo meldt de heer Vonk.

32. Indien wij deze twee factoren nu eens leggen naast het Hoya-traject lijkt het niet dat hier kan worden gesproken dat dit traject een bijdrage levert aan de persoonlijke ontwikkeling, noch dat het passende en kwalitatief aanvaardbare activiteiten betreft.

33. De heer Vonk meldt in dit kader ook nog: “De uitspraken van de centrale raad (huisbezoeken) maken duidelijk dat ook de handhavers aan de rechtstatelijke normen zijn gehouden en dat burgers niet buiten het recht kunnen worden geplaatst, ook al hebben zij een uitkering. Zolang dit soort uitspraken wordt gewezen, heeft de Nederlandse rechtsstaat voldoende corrigerend vermogen om een structurele verstoring van de rechten en plichten-balans tegen te gaan.

34. Ik moge u dan ook verzoeken om wederom ten behoeve van de Nederlandse rechtsstaat corrigerend op te treden.

35.  Tenslotte wil ik Uw Raad nog op het volgende wijzen: Het Hoya-traject als disciplineringstraject is een buitenproportionele verplichting en raakt daarmee het verbod op dwangarbeid zoals vastgelegd in art. 4, 2e lid, van het EVRM, art. 8 van het IVBPR en art. 1. van de ILO-conventie nr. 105.

36. Ik wil verwijzen naar een advies van de Raad van State en nader rapport inzake wijziging van de Leerplichtwegwet 1969 en de Wet inburgering in verband met de invoering van een kwalificatieplicht, wetsvoorstel 30 901. De raad schrijft daarin: art. 1, onder c. van de ILO-conventie 105 leggen partijen de verplichting op geen dwangarbeid of verplichte arbeid te gebruiken “als middel van arbeidsdiscipline”. Dit is van belang, nu de leer-/werkplicht blijkens de toelichting bedoeld is voor jongeren die niet willen werken. Voorts kan nog gewezen worden op art. 1, onder b. van deze conventie die het gebruik van dwangarbeid verbiedt als methode om arbeidskrachten te mobiliseren en te gebruiken voor economische ontwikkelingsdoeleinden. In de toelichting wordt verwezen naar het economisch belang om alle jongeren aansluiting te geven op de maatschappij. Hetgeen de Raad van State adviseert is ook hier van belang. Het Hoya-traject is bedoeld weigeraars, mensen die niet willen werken, te disciplineren, om arbeidsdiscipline bij te brengen. Een disciplineringstraject is dus in strijd met het verbod tot arbeidsdiscipline ex art. 1 ILO-conventie nr. 105.

 Ik dank u voor uw aandacht.